Navigation

Persbericht en beslissing Raad van Discipline Amsterdam 19 januari 2026

Model.Value("altTekst")
  1. Pers
  2. Nieuwsberichten
  3. Persbericht en beslissing Raad van Discipline Amsterdam 19 januari 2026

Persbericht en beslissing Raad van Discipline Amsterdam 19 januari 2026

Persbericht over de beslissing van de Raad van Discipline Amsterdam inzake een strafrechtadvocaat

Op 8 december 2025 heeft de Amsterdamse raad twee zaken op een besloten zitting behandeld: een klacht van de deken over de strafrechtadvocaat (het dekenbezwaar) en een verzoek van de advocaat tot opheffing van de eerder aan de strafrechtadvocaat opgelegde schorsing (artikel 60ab-schorsing). Vandaag, 19 januari 2026, doet de raad uitspraak in beide zaken. 


Aanhouding van het dekenbezwaar 

De deken vraagt de raad van discipline primair om het bezwaar tegen de strafrechtadvocaat aan te houden dan wel om de schorsing met minstens drie maanden te verlengen, omdat het strafrechtelijk onderzoek van het Openbaar Ministerie (OM) naar de strafrechtadvocaat nog niet is afgerond. Subsidiair vraagt de deken de raad om het dekenbezwaar tegen de strafrechtadvocaat gegrond te verklaren en de strafrechtadvocaat onvoorwaardelijk te schorsen dan wel om de advocaat voorwaardelijk te schorsen.

De raad houdt de inhoudelijke behandeling van het dekenbezwaar tegen de strafrechtadvocaat aan voor de duur van 1 jaar. Het is op dit moment ook voor de raad niet duidelijk wanneer het OM nieuwe informatie heeft en welke gevolgen die informatie zal kunnen hebben voor de positie van de strafrechtadvocaat. Reden voor de aanhouding is mede dat de verdenkingen van de strafrechtadvocaat de kernwaarden van de advocatuur betreffen (integriteit, onafhankelijkheid en geheimhouding).


Opheffing van de schorsing 

Op 24 april 2025 heeft de raad de strafrechtadvocaat op verzoek van de deken met onmiddellijke ingang geschorst in de uitoefening van zijn advocatenpraktijk (zie ECLI:NL:TADRAMS:2025:73).

De raad stelt vast dat de voorlopige hechtenis van de strafrechtadvocaat inmiddels is opgeheven. De schorsingsgrond van artikel 60ab lid 2 Advocatenwet doet zich daarom niet langer voor.

De raad vindt dat voortduring van de schorsing op grond van artikel 60ab lid 1 Advocatenwet (ernstig vermoeden van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen) ook niet langer gerechtvaardigd is. De strafrechtadvocaat heeft al geruime tijd geen enkele inkomsten meer en er is geen enkel zicht op het verloop van het strafrechtelijk onderzoek van het OM. Hoewel de verdenking tegen de strafrechtadvocaat ernstig is, is van een strafrechtelijke veroordeling geen sprake. Ook is aan verweerder niet eerder een tuchtrechtelijke maatregel opgelegd. 

Alle omstandigheden bij elkaar genomen, vindt de raad dat de strafrechtadvocaat bij voortduring van de schorsing disproportioneel en onevenredig in zijn belangen zou worden getroffen. Dit betekent dat de schorsing met onmiddellijke ingang wordt opgeheven.

De raad bepaalt, als voorlopige voorziening, dat de strafrechtadvocaat zijn werkzaamheden moet verrichten onder toezicht van een onafhankelijke advocaat die maandelijks verslag uitbrengt aan de deken. De strafrechtadvocaat mag niet optreden voor cliënten in de piketfase, in de periode van de eerste drie dagen na een aanhouding en voor cliënten die zich in (voorlopige) hechtenis bevinden, omdat de verdenking tegen de strafrechtadvocaat rechtstreeks verband houdt met zijn optreden als advocaat in de fase van de (voorlopige) hechtenis.

Door deze ordemaatregel kan de strafrechtadvocaat weer aan het werk. Ook kan de strafrechtadvocaat hierdoor werken aan herstel van het vertrouwen dat de rechterlijke macht, de politie, het OM en de samenleving in iedere advocaat moeten (kunnen) hebben, in afwachting van een definitief (tuchtrechtelijk) oordeel.


Hoger beroep

Partijen hebben 30 dagen de tijd om tegen de beslissing van de raad over de opheffing van de schorsing en de getroffen voorlopige voorziening hoger beroep in te stellen bij het Hof van Discipline.

Zie voor de volledige overwegingen van de raad de beslissing die bij deze persverklaring is gepubliceerd.

Beslissing Raad van Discipline Amsterdam 19 januari 2026